|
|
|
|
|
27-04-2025 Ds. J. Trouwborst
27-04-2025 Ds. J. Trouwborst
Thema: Genesis 28 10-22 en Lucas 24 13-35
door Ds J. Trouwborst
Daar gaan ze. Twee mannen.
Van Jeruzalem naar Emmaüs.
Een dorpje in de buurt. Zestig stadie ver.
Zo’n tien kilometer.
Twee teleurgestelde mannen.
Een tikkeltje bozig ook.
Maar vergis je niet.
Het is niet wat het lijkt.
Onder hun boosheid schuilt verdriet.
Zo werkt dat met emotie.
Soms verkleurt ze.
Je doet wel boos. Je kijkt wel nors.
Maar dat is alleen maar vanwege het verdriet dat eronder zit.
Je kunt er nog niet bij.
Soms moet je eerst een omweg maken om bij de kern te komen.
Eerst lang wandelen om bij jezelf te komen.
Dat doen de Emmaüsgangers.
Het zijn geen hardlopers. Het zijn wandelaars.
Zij zijn bezig met trage vragen.
Wat is er nou eigenlijk allemaal gebeurd?
Stapvoets gaat dat. Wandelenderwijs.
In het tempo waarin Henoch wandelde met God.
In dat tempo is de Bijbel ook geschreven.
Rustig aan. Zo’n vijf kilometer per uur.
Want wandelen luister nauw.
Eigenlijk is wandelen balanceren.
Steeds zet je het ene been voor het andere.
Daarbij raak je telkens even uit evenwicht.
Door de gang erin te houden blijf je in balans.
Door steeds weer op dat andere been te gaan staan.
Zo werkt wandelen.
Het lijkt wel een evenwichtsoefening.
Zouden de Emmaüsgangers daarom wandelen?
Om de benen er weer onder te krijgen?
Want ze zijn uit het lood geraakt.
Opeens is er gemis.
Hun gezicht zegt dat er hartzeer is.
Want hun vriend ontbreekt.
Hoe moet het nu verder?
Ze volgen een moeilijke route.
Die van zestig stadie.
Zestig? Dat is 10 x 6.
Dat is – voor ons – het maximaal haalbare.
Want zes is in de Bijbel het getal voor de mens.
En dan weet je meteen: er ontbreekt nog een stukje.
En dat stukje heeft met God te maken.
Die zeven is.
De Emmaüsgangers leven met gemis.
Hun vriend ontbreekt.
Soms voelt het gemis van één persoon
alsof er niemand meer is.
Degene die er niet meer is toont zich in herinnering.
Alsof je hem of haar nu nog scherper gaat zien.
Nu hij of zij er niet meer is.
Steeds zijn er gedachten.
Alsof die ander zichzelf in jou heeft achtergelaten.
Die ander lijkt steeds present in mij.
Waardoor het wel lijkt of ik er zelf even niet ben.
Alsof alles langs me heen gaat.
Dat hoort bij rouw.
Je bent zo hard aan het werk.
Dan ben je er even niet.
Er kleeft verdriet aan je.
Soms praat je er over.
Dat doen de Emmaüsgangers ook.
Ze hebben het erover wat er is gebeurd.
En terwijl ze zo praten, komt er nog iemand aan.
Ook een wandelaar.
Hij voegt zich bij hen.
Hij is de derde in het pastorale gesprek.
Tussen neus en lippen door vraagt hij waar ze over lopen te praten.
En dat valt niet goed bij de wandelaars.
Je proeft meteen hun chagrijn.
Ze snauwen op de man die toenadering zoekt.
Ben jij dan de enige die niet weet wat er is gebeurd?
Onder welke steen kom jij vandaan?
Maar de wandelaar laat zich niet uit het veld slaan.
Hij haakt niet af. Hij blijft mee oplopen.
Hij toont interesse. Stelt vragen.
Zozeer dat hijzelf niet opvalt.
Hun blik werd vertroebeld, (staat er)
zodat ze hem niet herkenden.
Na Pasen valt Jezus nog steeds niet op.
Je kunt hem tegenkomen zonder hem te herkennen.
Dan ga je zomaar aan hem voorbij.
In je denken. In je piekeren.
Zo vergaat het de Emmaüsgangers.
Ze verkijken zich.
Het duurt wel even voor ze de wandelaar herkennen.
En als het zover is, dan is hij al weer weg.
Hij is er maar voor even.
Een voorbijganger.
De Bijbel vertelt zo menselijk over ons geloof.
Steeds zien we het niet.
We twijfelen.
Dat hoeft niet weg.
Twijfel vraagt meer geloof dan zekerheid.
Dat komt door het verschil tussen zes en zeven.
Ons ontbreekt zo vaak dat ene stukje.
We kunnen het niet bevatten.
Ondertussen worden we met onze eigen waarheid ingehaald.
De Emmaüsgangers herkennen Jezus niet.
Ze zien hem aan voor vreemdeling.
Voor verdwaalde toerist. Festivalganger.
Een passant. Niet de Paasvorst.
Totdat ze gaan geloven, dan valt het kwartje.
Dan zien ze hem.
Zijn onopvallendheid blijkt de keerzijde van zijn nabijheid!
Nu kun je je afvragen: sta je met zo’n geloof wel sterk?
Moet je niet helder kunnen zeggen wat je gelooft?
Maar wacht even.
Is het andersom misschien?
Dat we merken: hier heb ik geen woorden voor.
Ik krijg het niet te pakken.
Daarom loopt Jezus gewoon een stukje mee op.
Hij komt niet met antwoorden.
Hij stelt vragen.
Net zolang tot we wakker worden.
Wij hoorden van Jacob.
Hij slaapt en droom in het open veld.
Ondertussen ligt hij midden tussen engelenladders.
De Eeuwige is hem rakelings nabij.
De hemel is niet ver.
Maar de grap is: hij heeft het niet door.
De Heer was hier, maar ik wist het niet.
Blijkbaar werkt het zo.
De hemel zoekt een woning.
Maar alles van boven begint van binnen.
Het kan even duren voor we het zien.
Soms heb je daar een vreemde voor nodig.
Iemand tegen wie je alles kunt zeggen.
En dan: als alles is gezegd, dan wil die ander nog wat kwijt.
Niet omdat hij het beter weet.
Nee, om te borgen wat je net hebt verteld.
Hij maakt ons verhaal vast in de Schrift.
Want wat de wandelaar vertellen,
staat al lang ergens opgeschreven.
In die aloude verhalen.
Van Mozes die merkt dat zijn breekpunt keerpunt wordt.
Van Abraham wiens weerstand bijstand wordt.
Van Jozef die niet in de put blijft zitten, zoals Jona niet in de vis.
Van Daniël uit de leeuwenkuil, zoals het hele volk uit ballingschap.
Kortom van God die het elke weer met ons ziet zitten.
En als wij het niet zien, dan zegt hij:
Ik ben met jullie. Ik ben bij je.
Alle dagen, tot aan de voleinding der wereld.
Zou hij die twee dan in het donker laten zitten?
Zou hij u en mij vergeten?
Dat kan niet waar zijn.
Soms wordt Schriftcontact vuurcontact.
Opeens word ik aangeraakt.
Al die verhalen blijken over mij te gaan.
Zo ontvangen wij onze identiteit in Christus.
Dat is niet iets wat wij fiksen.
Dat is iets wat wij gaandeweg ontdekken.
Van de kerkvader Augustinus wordt verteld,
Dat hij bij het uitdelen van brood en wijn sprak:
Ontvang wie je bent en wordt wie je ontvangt.
Nou, dat vraagt om een wandeling!
Eigenlijk brengt Jezus niks nieuws.
Wel maakt hij verbinding.
Hij koppelt het ene aan het andere.
Ons leven aan de Schrift.
Het wordt onderdeel van Gods grote verhaal.
Hoe gaat het ondertussen met de Emmaüsgangers?
Nou, heel eventjes zien ze Jezus.
En dan is hij alweer weg.
Er is dus weer afscheid, maar er is meer.
Voortaan is hij in hen. Dat voelen ze.
Hun harten zijn brandend.
Dus: Alles is nu open. Het graf. De Schriften.
En – tenslotte- mijn eigen ogen.
En dan staan ze op, net als Jezus.
En maken rechtsomkeert.
Ze gaan retour.
Heen en terug.
Want soms is de omweg de kortste weg.
Amen.
| | terug
|
| |
|
|
|
|